Elk verdedigingsproces bestaat uit drie fasen : waarneming, evaluatie-beslissing en reactie. De doelmatigheid ervan hangt in grote mate af van de tijd die verstrijkt tussen het eerste vermoeden van een nakende aanval en de afweerreactie. Aikidotraining beoogt een zodanige verfijning van de vermogens dat waarneming, evaluatie-beslissing en reactie bijna simultaan plaatsgrijpen.
Op de eerste trap van de waarneming zien we iemand zich voorbereiden om aan te vallen, horen hem naderen of voelen het fysieke contact (het vastgrijpen). Op een hoger waarnemingsniveau, dat moeilijk te definiëren is, kunnen we stellen dat we iets aanvoelen. Zonder bewust iets dreigends te zien of te horen, voelen we dat er iets fout zit. In de evaluatie-beslissingsfase worden de elementen van de aanval geanalyseerd (de kracht van het dynamische momentum, de snelheid, de richting) en er wordt een beslissing genomen betreffende een aangepaste afweertechniek.
In de reactiefase wordt de beslissing operationeel.
Deze drie trappen moeten bij een gevorderde aikidoka een eenheid vormen.
Uitgaande van dit criterium kan elke zelfverdedigingactie geclassificeerd worden
als normaal (positief) of abnormaal (negatief). Een normale procedure verloopt
soepel en geleidelijk en resulteert in een doelmatige neutralisatie van de
aanval. Een abnormaal proces kan herkend worden aan een onvolmaakte waarneming,
een gebrekkig oordeel en een niet afdoende reactie.
Normaal gesproken zou de waarneming tegelijkertijd zowel globaal als gedetailleerd moeten zijn. Als iemand zich in een kamer bevindt, bijvoorbeeld, zal hij zich bewust zijn van de totale kamer én van de inhoud ervan. Deze vorm van perceptie (cfr. Gestalt) vormt de basis waarop de tweede fase van de verdediging (beoordeling-besluitvorming) gegrond is. Intensieve en gespecialiseerde training verminderd de tijdsduur tussen waarneming en oordeel-beslissing zodanig dat dit deel van het gebeuren onbewust wordt. De reactie wordt dus een geconditioneerde reflex en de respons komt dus bijna op hetzelfde moment als de perceptie.
Een positieve strategie wordt verder gekenmerkt doordat zij bepaald, onmiddellijk, consequent en krachtig is. Zij is bepaald (specifiek) als de juiste technieken gekozen worden. Alle aikidotechnieken zijn "op maat ontworpen" responsen en sommige zijn meer geschikt en makkelijker uit te voeren op een welbepaald aanvalstype. De strategie is "onmiddellijk" als de reactie zo vlug loskomt dat de techniek al wordt toegepast terwijl de aanval nog in ontwikkeling is (op hoger niveau zelfs voordat de aanval volledig gelanceerd is).
Een positieve reactie is "consequent", m.a.w. zal een deel van de persoonlijkheid uitmaken, zodat zij eerder regel dan uitzondering wordt. Deze strategie is tenslotte krachtig als zij voldoende gecentraliseerde energie bevat om het ganse proces te beheersen. Deze controle is merkbaar als er, indien nodig, van de ene techniek op de andere overgeschakeld wordt en de kalme, stabiele manier waarop gewerkt wordt. Bij een onvolmaakte, negatieve verdedigingsmethode kan, zoals gezegd, de perceptie gebrekkig, het oordeel arm en de reactie onvoldoende zijn. Dit alles kan vele vormen aannemen.
Wat de waarneming betreft, kan men een aanval niet zien komen tot het te laat is. Verder kan ook het gevoel van voorafgaand bewustzijn, dat een rol speelt bij het herkennen van een aanval voor hij ingezet wordt, ontbreken. Men kan ook gehypnotiseerd worden door een aanval of de aandacht kan slechts op een detail gericht zijn zodat de waarneming van het geheel onjuist is. Dit soort gebrekkig oordeel kan leiden tot een ineffectieve reactie, een aarzeling of een slechte timing. Zelfs als de waarneming juist is en het oordeel correct, kunnen de reflexen fout zijn of de spieren kunnen weigeren door een gebrek aan regelmatige oefening. Ook het ontbreken van een goede fysieke conditie kan een gepaste respons onmogelijk maken. Om zeker te zijn van de doelmatigheid van het verdedigingsproces moeten de innerlijke en de uiterlijke factoren van die verdediging overeenstemmen met bepaalde patronen.
De innerlijke factoren van aikido houden verband met de rol van het verstand tijdens het gevecht; de mentale houding en de innerlijke krachten die de strategie activeren, controleren en richten; de energie die gebruikt wordt en de specifieke principes die elke verdediging van begin tot einde bepalen.
De uiterlijke factoren betreffen de fysieke en functionele dimensie van het gevecht, het fysieke middel of wapen dat gebruikt wordt (het lichaam), en de dynamische en technische methodes om het lichaam te gebruiken onder controle van de geesteskracht.
Van deze twee klassen van factoren wordt de eerste - de innerlijke factoren - in de aikidodoctrine beschouwd als zijnde van primair belang om de kunst correct te beheersen en om succesvolle strategieën op te bouwen. Om de waarneming, de flexibiliteit en de concentratie van krachten te ontwikkelen is zowel fysieke als mentale toewijding nodig. Exclusieve concentratie op de uiterlijke factoren en de fysieke ontwikkeling van het lichaam wordt in aikido beschouwd als zinloos en uiteindelijk zal men alleen zichzelf verslaan (het is "self-defeating"). Het ontwikkelen van verbeelding (flexibiliteit) en geestescontrole, hen coördineren met de fysieke en functionele lichaamscapaciteiten zal leiden tot het vergroten van de mogelijkheden van het lichaam, terwijl ook het karakter zal ontplooien en rijpen. Zonder deze innerlijke ontwikkeling^ is de rest een illusie.
De beoefening van deze krijgskunst voorziet ruim in materiaal om zowel fysieke als functionele aspecten uit te breiden. Het is echter nodig een "controlecentrum" te creëren dat de fusie tussen geest en lichaam mogelijk maakt. De nadruk zou van in het begin moeten liggen op het uitbouwen van de juiste mentale toestand voor een doelmatige verdediging. In een gevecht moet het verstand het ganse proces controleren. Hierin spelen vier basisprincipes een rol :
Bij het beoefenen van aikido moet men een gevoel, van centralisatie van het hele wezen in de onderbuik ("hara") ontwikkelen. Dit is de plek die correspondeert met het zwaartepunt, m.a.w. het punt waar het gewicht zijn maximum aan concentratie en evenwicht bereikt, een balans tussen het centrale en bovenste deel van het lichaam enerzijds en de onderste ledematen anderzijds. Dit deel van het lichaam, met het krachtig gestructureerde bekken, vertegenwoordigt het uitgebalanceerde centrum dat de mens toelaat rechtop te staan en die positie gemakkelijk te behouden. Vanuit dit "ondersteunings- en oprichtingscentrum" wordt de totale som van het gewicht van het boven- en onderlichaam naar de grond gekanaliseerd.
De centralisatie in de "hara" is de basis van aikido en een voorwaarde voor enige vooruitgang in deze krijgskunst of daarbuiten. Het is nochtans een techniek, een hulpmiddel, een vorm van training en niet een doel op zich. Het uiteindelijke doel ervan is het bereiken van totale coördinatie en harmonie van geest en lichaam, van mens en mensen, van mens en omgeving (uitgebreid tot het hele universum). Door een discipline van aanvankelijk bewuste centralisatie in de onderbuik wordt een punt bereikt waarop deze centralisatie automatisch en onbewust wordt, een punt waarop men niet "gecentraliseerd denkt", maar het is.
Dit centrum wordt gebruikt als een eenheidscheppend instrument in het moeilijke proces van het coördineren van het ganse gamma aan krachten en mogelijkheden. Het wordt gebruikt om een stabiel platvorm op te bouwen van waarop men in volle controle kan handelen tegenover de realiteit, een gevecht of een aanvaller.
Men kan spreken van subjectieve centralisatie waarin enkel de persoonlijkheid betrokken is (men is één punt) en van objectieve centralisatie die ook de externe realiteit omvat (men staat in het middelpunt van de actie). De kosmische en menselijke dimensies van het concept zijn nochtans nauw verbonden. Volgens de Oosterse filosofie is het ware en allesomvattende centrum hetzelfde voor het algemene en het specifieke, voor het universum en de mens. Dit komt tot uiting in vele Japanse verhalen over de wijze man die in harmonie leeft met zichzelf en met de natuur. Verlies van identificatie met de natuur, vervreemding tussen de mensen en tenslotte het gevoel van een breuk in de eigen persoonlijkheid worden beschouwd als het gevolg van een te grote aandacht voor oppervlakkige dingen, voor de details van het leven. Dit laatste is een volledige ontkenning van de onderliggende identiteit van het leven; de eenheid is de basis, de essentie van het leven zelf.
De mens zoekt -zelfs onbewust- een centrum. In de Westerse psychologie zegt men dat de mens "doelgericht" ("goal-directed or goal-motivated") is. Hij wordt verondersteld enkel juist te functioneren als hij een specifiek doel poogt te bereiken. Als hij geen doel heeft, heeft hij geen "leven", in de sociale betekenis van het woord, omdat hij dan handelt op het niveau van de dieren: in respons op -op het levensbehoud gerichte- instincten (territorium, voedsel, seks, enz.) . Het is voor de mens m.a.w. niet genoeg te vragen "hoe", hij wil ook weten "waarom".
Toch kan de mens, zelf s als hij een bepaald doel probeert te bereiken, zijn
doel fout kiezen. Het probleem is dus tweevoudig. Ten eerste moet de mens
voorzien worden van middelen (d.m.v. instructie, leiding en opvoeding in de
meest ruime zin) die hem in staat stellen de juiste doelen te selecteren.
Vervolgens moet hij aangemoedigd worden in zijn streven (het eigenlijke
handelen, het wordingsproces). Zelfs dan moet hij een zekere objectiviteit
behouden, een bepaalde balans of een onafhankelijke centrum zodat hij zijn
doelen zal nastreven zonder erin te verzinken, zonder dat zij een obsessie
worden. Slechts als de mens een centrum ontwikkelt en onderhoudt, kan hij zijn
flexibiliteit bewaren. Azië kent vele denkscholen wiens enige bedoeling is het
centrum te ontwikkelen ("haragei"). Dit denkbeeld werd overgenomen door andere
scholen die als middel om meer praktische resultaten te verkrijgen. In de
krijgskunsten spreekt men van een centrum van stabiliteit en kracht met als
specifiek doel de controle over de gevechtsrealiteit.
De resultaten van innerlijke centralisatie (op mentaal vlak) zijn een verhoging en een verscherping van waarnemings-, evaluatie- en beslissingsvermogens. Heldere waarneming is mogelijk doordat doeltreffende centralisatie een scherm vormt tussen de waarnemer en de dikwijls verwarrende, storende opeenvolging van gebeurtenissen bij één of andere vorm van gevecht.
Centralisatie betekent het aannemen van een nieuw referentiepunt, een nieuw
platvorm van waarop men een objectievere controle heeft op zichzelf en de
gebeurtenissen. Zulk een objectiviteit, m.a.w. een helder begrip van aard,
omvang en complexiteit van een gegeven probleem, is niet mogelijk als men
geestelijk geobsedeerd is door die probleemsituatie, niet in staat ze
koelbloedig te overdenken. Objectiviteit vereist onpartijdigheid, die op haar
beurt afhangt van de graad van mentale onafhankelijkheid die men bereikt heeft.
Als men niet in staat is deze mentale afstand tussen zichzelf en de zich
ontvouwende gebeurtenissen te bewaren, zullen de gebeurtenissen beginnen te
domineren en de controle zal verdwijnen. Het ie niet gepast overmatige aandacht
te schenken aan of gehypnotiseerd te worden door wapens, gezicht of dreigende
houding van een tegenstander. Deze zijn slechts schijn. ("These are only
appearances".)
Deze heldere waarneming heeft twee aspecten. Het eerste is bewustzijn ("awareness"), dat het ganse waargenomen veld beslaat. Het tweede is concentratie, die een bepaalde gebeurtenis in dat veld eruit pikt. Bewustzijn ("awareness") is de fundering van een voor een gevecht noodzakelijke staat van alertheid, van klaar staan. Dit algemeen bewustzijn ("awareness") maakt specifieke concentratie mogelijk.
Innerlijke centralisatie heeft ook gevolgen m.b.t. het lichaam, nl. de ontwikkeling van een uitgebalanceerde stabiliteit en een ontspannen soepelheid. In aikido betekent die balans, dat evenwicht een overeenkomst van de verticale as van het lichaam met de as van de zwaartekracht (d.w.z. het behouden van een "normale" houding) en een evenwichtstoestand tussen rust en beweging (d.w.z. de mogelijkheid om elk van beide toestanden te behouden of om van de ene naar de andere over te gaan). Het bewaren van het evenwicht is van groot belang, of men nu stilstaat of in beweging is. Bij elke beweging moet het bovenlichaam lineair staan t.o.v. het zwaartepunt ("hara"). Om een aanvaller naar beneden te leiden mag men dus niet buigen -d.i. een instabiele positie-, maar moet men door de knieën zakken en het bovenlichaam rechtop houden. Deze fysieke centralisatie is een constante in een gevecht. Centralisatie in de onderbuik vertegenwoordigt verder een soort van omlaagkomen van het lichaamsgewicht, wat het bovenlichaam verlost van overdreven spierspanning en soepelheid en beweeglijkheid toelaat (vooral in de nek- en schouderspieren). Ook deze ontspannen soepelheid is van groot belang bij het beoefenen van aikido . Ontspanning betekent hier zeker geen slappe, lethargische of vervallen conditie, maar een toestand waarin de spieren buigzaam en flexibel zijn, wat een onverzwakte reactie in elke richting toelaat.
Uiteindelijk zal centralisatie resulteren in verhoogde kracht en effectiviteit omdat in een gevecht het centrum zal fungeren als een bron van beweging en actie. Beweging in aikido komt altijd vanuit de heupen en betrekt het hele lichaam en de ganse persoonlijkheid in de actie.
Het eigen centrum moet ook het centrum worden van de actie van de aanvaller. Als iemand aanvalt, verliest hij zijn eigen evenwichtspunt. Als men uitwijkt, plonst de aanvaller in een vacuüm, waarna hij rond het centrum van de verdediger geleid en de aanval geneutraliseerd wordt.
In elke neutralisatietechniek vinden we deze constante, vloeiende
centralisatie van de actie rond het eigen centrum alvorens een tegenstander te
immobiliseren onder of hem weg te werpen van dat centrum.
coördinatie (schema)
| centralisatie | subjectief | mentaal | onafhankelijke controle |
| heldere waarneming | |||
| fysiek | stabiel evenwicht | ||
| ontspannen soepelheid | |||
| functioneel | extreme beweeglijkheid | ||
| gecentraliseerde kracht | |||
| objectief | verdediging is gecentraliseerd | ||
| de aanval wordt in een baan rond het centrum geleid |
|||
Aikido begint met het aanvaarden van het feit dat iedereen "ki" bezit. Deze vitale kracht kan, als zij geconcentreerd is in een enkele, samengebalde stroom, uitgebreid en gekanaliseerd worden in een bijna onweerstaanbare verdedigingstechniek. De basis van aikido is de dynamische "ki": de geconcentreerde en gebalde kracht in beweging. In het Westen is men geneigd kracht in termen van spierkracht te meten. In het Oosten wordt echter veel verwezen naar "de kracht van de geest". Indien de mens beschouwd wordt, niet als een verdeeld wezen (mentaal versus fysiek), maar als een eenheid, een totaliteit wiens mentale activiteit fysieke veranderingen in de hersens inhoudt en wiens fysieke activiteit langdurige, supra-fysieke gevolgen kan hebben, dan kan ook zijn energie, zijn kracht beschouwd worden als zijnde een "totaalkracht".
Zoals elke andere kracht kan "ki" echter ook fout toegepast of -vanuit moreel oogpunt- misbruikt worden. Dit energietype wordt vaak vermeld in de meeste boeken over krijgskunsten en wordt dikwijls intrinsieke of innerlijke energie genoemd ("prajna" in Indië", "ch'i" in China, "ki" in Japan). De energie wordt meestal ontwikkeld in bewuste, gedisciplineerde programma's en, eenmaal geconcentreerd (in de allesomvattende betekenis van het woord), uitgerekt in de gewenste richting. Zoals deze intrinsieke of totale energie nauw verband houdt met het concept van de "hara" (centrum), het punt van maximum concentratie, opstapeling en uitrekking, kan het "ki"-concept verruimd worden als zijnde levensenergie in het gehele universum en versmald in de zin van karakter, persoonlijkheid en vitaliteit van een individu.
In aikido neemt deze energievorm een fundamentele plaats in (geen "ki", geen aikido). De "ki", die latent aanwezig is in ieder mens in ongecoördineerde en verstrooide toestand, moet verenigd, opgehoopt, gestabiliseerd en uitgebreid worden. "Ki" wordt opgestapeld in het centrum, waar coördinatie ten volle bereikt wordt. De twee begrippen -centrum en intrinsieke, innerlijke, totale energie- vormen dus eigenlijk een eenheid: de energie, volledig gecoördineerd en gestabiliseerd in het centrum (gecentraliseerde energie. Het ganse lichaam lijkt een compacte energiebron te worden, zonder overdreven nadruk op het individuele handelen van delen van dat lichaam. In deze context kan "ki" ook uitgelegd worden als "globale" energie , "totale uitrekking/uitbreiding" of "volledige coördinatie van krachten".
Deze totale uitrekking wordt duidelijk in het principe dat elke beweging vanuit de heupen of het centrum moet vertrekken en een techniek uitgevoerd moet worden door het ganse lichaam te bewegen en het volledig (onder controle van de hersenen) in de actie te betrekken. Dit, i.c. de totaliteit van de uitrekking, is ook de reden waarom men in aikido aangemoedigd wordt over het lichaam te denken als een uitbreiding van het verstand (de geest) en armen en benen als uitbreidingen van het lichaam en niet als aparte aanhangsels.
Het voorgaande betekent niet dat armen en benen geen functie hebben, maar dat
deze functies geïntegreerd worden in de bewegingen van het lichaam als geheel.
Zelfs esoterische beschouwingen over "ki" daargelaten, lijkt het niet meer dan
logisch dat de kracht, voortgebracht door een lichaam dat als een geheel
gebruikt wordt, groter is dan die welke slechts door armen of benen alleen
geproduceerd wordt. In aikido dragen de benen de gecentraliseerde anatomie van
de ene plaats naar de andere; de handen zullen de tegenstander grijpen of
leiden, maar slechts fungerend als uitbreidingen van en in overeenstemming met
de bewegingen van het lichaam als geheel.
Van groot belang bij dit alles is de uitrekking van de armen. Als men de
uitrekking niet constant houdt, m.a.w. als de armen niet onbuigzaam zijn, is het
onmogelijk de techniek uit te voeren. Dit houdt in de eerste plaats verband met
een door de armen in een bepaalde richting uitstromende energie. Anderzijds
draagt de strekking van de armen bij tot de uitbreiding van energie vanuit het
centrum, die constant en centrifugaal moet blijven.
Met "onplooibare arm" wordt niet bedoeld dat de arm absoluut recht moet zijn,
maar wel dat de arm lichtjes gebogen is in de vorm van een halve cirkel.
Hierdoor wordt het mogelijk de aanvalskracht te leiden en te sturen zonder
bruuske schokken. De armen mogen bij een aanval niet in mekaar klappen. De halve
cirkel moet intact blijven zodat de rest van het lichaam beschermd blijft
terwijl de aanval geneutraliseerd wordt. Buitenwaartse uitrekking geeft
enerzijds bijkomende controle over de externe realiteit door het inschakelen van
mentale, fysieke en dus functionele krachten die verband houden met de conditie
van onafhankelijk bewustzijn. Anderzijds verzekert dit ondoordringbaarheid,
d.w.z. dat het voor de aanvaller onmogelijk wordt het centrum te kwetsen. Om dit
te verduidelijken wordt vaak verwezen naar de voorstelling van een bron waarvan
het water kristalhelder is. Als de stroming stopt wordt het water modderig en
troebel. Het actieve aspect van het (controle)centrum is dus de
ondoordringbaarheid.
Deze gecentraliseerde energie blijkt dus van het krachtveldtype te zijn, in tegenstelling tot of vergeleken met de geconcentreerde en scherpe energievorm die door een doel heen snijdt en die in vele andere krijgskunsten gecultiveerd wordt. In aikido ligt, zoals in andere gevechtssporten, de nadruk op de ver/herenigde, harmonieuze persoonlijkheid en daarom OP de gecentraliseerde energie.
In de algemene doctrine van de krijgskunsten wordt ook een onderscheid gemaakt tussen een "harde" en een "zachte" vorm van "ki".
"Harde ki" is scherp en geconcentreerd tot een gevaarlijke fusiepunt die vergeleken wordt met de snede of de punt van een Japans zwaard . Als dusdanig gebruikt in een gevecht (offensief of defensief), zal het door het doel waarop het is gericht snijden. Deze vorm van "ki" is grotendeels recht (direct, rechtlijnig), hoewel er ronde, cirkelvormige vormen zijn. Deze soort van "ki" vereist meestal het gebruik van slechts één enkel anatomisch wapen (arm, been, hand, voet, elleboog, ...) om de kracht van de energie te leveren.
"Zachte ki" daarentegen blijkt gelijkmatig verdeeld te zijn en uitgebreid als een grote bol om het doel volledig te omvatten of het in een draaiende, wentelende beweging te raken . Deze energievorm snijdt niet door het doel heen, maar veegt het weg in een cirkelvormig patroon, zodat dat doel centrifugaal v/weggeslingerd wordt of elastisch uitgerekt en gestrekt in de gewenste richting. De diffuse, verspreide aard van "zachte ki" impliceert noodzakelijkerwijs een typische, cirkelvormige uitrekkingsvorm, alsook het gebruik van het ganse lichaam. Het is deze laatste vorm van "ki", de zachte, die in aikido gebruikt wordt . Aikido vereist namelijk niet het gebruik van intrinsieke of totale energie op een manier die verwondingen of vernietiging veroorzaakt. Neutralisatie is gericht op de agressieve actie en niet tegen de persoonlijkheid van de agressor.
(controleer de aanval door hem te leiden)
Het eerste principe had te maken met het centraliseren en integreren van de persoonlijkheid . Het tweede principe verklaarde de uitrekking van de energie ("ki") om een aanval te controleren. De volgende twee principes zullen meer bepaald specificeren hoe die controle bereikt kan worden. Vanaf het moment dat een aanval waargenomen wordt, moet hij gecontroleerd worden door een aangepaste begeleiding die zijn potentieel gevaarlijke en geconcentreerde kracht in een onschadelijke richting stuurt. Dit begeleiden moet vloeiend en continu zijn en nooit directe weerstand bieden aan de aanvalskracht, omdat de aanval onderbreken of stoppen nefast is voor het momentum dat een aikido-verdedigingsstrategie vereist.
Er zijn drie mogelijke controlepunten van waaruit de aanval wordt gestuurd naar waar hij het zwakst is:
In al deze gevallen wordt controle door begeleiding verzekerd door onmerkbaar in de aanval over te gaan en erin mee te vloeien. Eenmaal het contact gelegd is en de controle bereikt, zal het mogelijk zijn de aanval van binnenuit in een gepaste neutralisatiebeweging te sturen.
"Begeleiding" betekent in feite niet "kracht gebruiken" in de fysieke betekenis van drukken, trekken of duwen. Als je iemand plots duwt, zal hij instinctief terugduwen. Als je met geweld zijn hand grijpt, zal hij onmiddellijk proberen je af te schudden. Elke directe actie tegen een persoon ondernomen, zal bijna onvermijdelijk resulteren in een even directe reactie. Deze instinctieve neiging om onmiddellijk te ageren en te reageren zal in het begin hinderlijk zijn bij het beoefenen van aikido. Men zal het principe van het zich niet verzetten ("nonresistance") moeten aanleren. Dit kan in een gevecht veel effectiever zijn dan het gebruik van louter spierkracht tegen de kracht van de aanval.
De dimensies van dit begeleiden zijn gelijktijdig mentaal en functioneel (het laatste zowel dynamisch als technisch). Men zal bijvoorbeeld bewegen om een aanval te ontwijken, maar ontwijking is slechts één van de dynamische doelen: centralisatie om de geschikte neutralisatietechniek toe te passen is het andere. Men zal, m.a.w., in de eerste plaats bewegen omdat dit de manier is waarop men begint de tegenstander in de gewenste positie te leiden en niet enkel om de aanval te ontwijken.
Elders werd gezegd dat
Deze beide principes -uitrekking en centralisatie- vooronderstellen de idee van de bol- of cirkelvormigheid van de beweging. Deze cirkelvormigheid vindt men terug in alle aikidotechnieken en ligt overigens aan de basis van vele gevechtssporten.
a. Neutralisatiekringen
Globaal kan men drie groepen onderscheiden : horizontaal, verticaal en
diagonaal.
b. Neutralisatiespiralen en -semi-spiralen
De agressie, de aanval en de bewegingen van de tegenstander kunnen ook in
spiralen en semi-spiralen rond het centrum geleid worden.
Vergeleken met de hierboven beschreven neutralisatiekringen vormen de spiralen
en semi-spiralen de alomtegenwoordige en leidende beweging van de
aikidostrategie. (De "dynamische spiraal" is eigenlijk het logische uitvloeisel
van de "dynamische bol".) Tijdens het uitvoeren van een techniek zal het lichaam
namelijk bewegen; het zal draaien of buigen en daardoor buiten de beperkingen
van de oorspronkelijk cirkelvormige beweging treden.
Dit resulteert in een grote variëteit van mogelijke operationele
neutralisatiespiralen.
c. De dynamische sfeer (bol)
Als al deze basiscircuits en mogelijke spiralen en semi-spiralen rond het
centrum gecombineerd worden tot een enkele voorstelling is het resultaat een
bol: een "dynamische bol" van circuits die het lichaam beschermend omvatten.
In deze "dynamische sfeer" zijn de concepten centrum (houding) en energie ("ki") en de uitrekking ervan, zowel als leidende controle gesynthetiseerd. Om het even welke aanvalsbeweging (langs voor, langs achter of zijdelings) of om het even welke aanvalstechniek of -methode (een slag, een greep of een combinatie van de twee) kan op een dynamische wijze in een circuit rond het centrum getrokken en weggeleid worden.